Bij dezen …

… mijn nieuwe weblog.

Het zal eens niet

Na vier maanden hier loggen, ben ik het zat. Z-a-t.
Ik werd er altijd al chagrijnig van als ik mijn eigen layout niet kon bepalen.
En hier is dat dus zo.

Ik kan niet twitteren.
En geen mooie kopfoto plaatsen, tenzij ik hem eerst een keer of vijfentwintig onder de snijmachine houd.
En geen kleuren kiezen.

Dus: ik ga op zoek naar iets anders. Alweer ja, waarvoor mijn excuses.
Maar bedenk maar zo: je schrijft zoals je log eruit ziet.
En in mijn geval betekent dat dus een hele hoop onzin.

Overigens, vandaan heb ik het wasmiddelvakje van de wasmachine schoongemaakt. Het ziet er nu een stuk beter uit. Hoe je dat moet doen? Ik haal altijd reinigingsdoekjes bij de Xenos. Niet zo duur, maar een héérlijke citrusgeur. Je hebt er ook vloerdoekjes van. Die doe je dan om zo’n Swiffer en je beweegt ermee -niet te hard- van voor naar achter over je vloer. Helemaal te gek.

Aight

Nu ik hier een paar maanden blog, begint het mij echt op te vallen dat mijn weblog soms dienst doet als … de vormbare parel van … reactieloos logland. Zo is hij, naast een medische encyclopedie (‘rib doet raar’, ‘darmprobleem’ en ‘tetanus hoe lang geldig’) nu ook heel Engels.

Wie dat bedacht weet ik niet, maar hilarisch is het wel. Een beetje een blijde woensdag, vandaag.
Volgende keer een stuk over waspoeder in het verkeerde vakje van de wasmachine.

Post

Moest me twee weken voorbereiden op het gesprek. Want het duurt soms even voordat ze begrijpen wat je bedoelt, daar bij de IB-groep. En nu zal ik wel de honderdste zijn die zegt: ‘Wat zijn ze naar hè?’, en de triljoenste wellicht die kan melden: ‘Ik wil er f**ck*ng/for f**cks sake/no way josé ook maar iets meer mee te maken hebben.” Maar zo erg is het nu ook weer niet. Toch? In feite was dit mijn eerste, nee, tweede probleem met de valkuil van bijna heel gesponsord studerend Nederland.

Dus ik bellen. Meldde dat ik mij schijn te hebben aangemeld voor de opleiding Nederlands.
‘Máár,’ zei ik dus, want overtuigend spreken is van groot belang, ‘ik kom daar dus nét vandaan met mijn diplomaatje. Dú-hús, wat is er aan de hand?’
‘Nóu,’ zei de IB-man, ‘dát ga ik even voor je nakijken. Blijf je even in de wacht?Mooidankjewelbenzoterug.’
En voor ik kon antwoordden dat ik heel mijn leven al moet wachten, was hij er al weer. Hetgeen mij deed stamelen toen de man zei dat al mijn studiegegevens klopten, maar dat ik nergens ingeschreven stond en dus ook geen recht had op centen.
‘Ma-maar, ik stá ook nergens ingeschreven?’ Tot mijn spijt trok ik mijn meest verontwaardigste gezicht, als blijk van onschuld. Totdat ik mij realiseerde dat ik contact had over een telefoonlijn, en niet gezicht aan gezicht op een zonovergotenterras in Frankrijk waar mij zojuist zou zijn medegedeeld dat ik nérgens in mijn leven meer recht op zou hebben. Dus schraapte ik mijn keel.
“Dus, als ik het goed begrijp stond ik nergens ingeschreven op het moment dat ik studiefinanciering had aangevraagd?”
“Yesserdeyes,” antwoordde hij. Nee, wacht, hij zei het net iets anders: “Ja, dat is correct.”
“Want ik ging die master doen en daar had ik studiefinanciering voor nodig.”
“Klopt he-le-maal.”
“Maar toen ging ik die master toch niet doen,” vervolgde ik.
“Klopt ook he-le-maal.”
‘En toen dachten jullie, waar is die chica heen met ons geld?”
“Eh, nou, zo zou ik dat nou niet 1,2,3 willen …”
“Zeggen, nee, maar toen dachten jullie: dan gaan we kijken of ze misschien haar bachelor zó leuk vond dat ze er is gebleven? Ook al had ze al een diploma en een scriptie van om en nabij de vijftig pagina’s getikt?”
‘Pre-cies!”
“Nee, dan begrijp ik het. En daar was ik ook niet hè?”
“Nee, daar was je ook niet.”
“Maar nu?”
“Ja, nu heb je een maand te veel geld gevangen. Dus, dokken,” sprak de man.
“Nee, dat lijkt mij ook het beste.”
“Hoeveel?”
“Tweehonderdenvijfenvijftig euro en 14 eurocent.”
“Stuur maar door,” zei ik stoer.
“Ja, dat doe ík niet,” zei hij.
“Wie dan?”
“Die krijg je automatisch.”
“O.”
Mijn vader, die in de auto op mij zat te wachten, toeterde ongeduldig. We zouden mijn salaris een beetje opmaken die dag, maar daarover later meer.

‘Heb je verder nog vragen?’
‘Heel veel, maar ik bel daar nog over terug,’ mompelde ik.
‘Oké. Mag ik jou dan een prettig weekend toewensen?’
‘Van hetzelfde hè,’ sprak ik opgewekt, ‘en dáág!’
‘Dáág, haha, dáág!’ sprak de man.
‘Nee wacht even, wanneer komt die acceptgiro nou?’
‘Ja, eh, vanzelf dus!’
‘Bellen jullie vanaf Zweinstein dan ofzo?’ wilde ik vragen.
Maar ik hing op.

Nu is het, zoals altijd, wachten geblazen.

Wat er zoal gebeurt

Nu heb ik dus een soort van nieuw huis. Ik ben nog niet helemaal klaar. Iemand zei ooit: ‘Een huis is nooit af,’ op mijn mededeling ruim een jaar terug, dat ze ‘wel mag komen kijken als het af is, hoor!’
Ze is inderdaad nog niet geweest.

Maar daarbuiten ben ik dus alsnog druk. Wie niet, tegenwoordig? Terwijl vriendin S. haar been de nodige rust gunt- brommers, ik krijg er een punthoofd van- werkt zij volgens mij gewoon door. Buiten de IKEA-gordijnen en HEMA-verfkwasten om heb ik daar ongelooflijk veel bewondering voor. En Madrileense vriendin N. is ertoe verplicht op bed te zitten én te werken. Waarom zit zij dan op bed, vraag je je af, wel, je kunt soms zomaar, plotsklaps een allergie ontwikkelen. Door luchtvervuiling, in Madrid een zeer bekend verschijnsel. Mocht je nu vertwijfeld je lippen pruilen en een wenkbrauw optrekken: heb jij er wel eens een eekhoorn gezien?
Wat ik je brom.

En ik klus, en ik werk. En daardoor miste ik net een deadline. Want toen ik gisteravond na wijn, lachen en Youtube mijn bed indook, vergat ik even dat met tien uur, tien uur ‘s ochtends werd bedoeld in dit geval.
En dat was jammer. Maar ‘no problem’, volgens mijn eindredacteur.
Bedankt maat.
Het leven is immers al zwaar genoeg.

Ben je aan het doen?

“Gelukkig heb ik mijn gekleurde broodtrommel nog mee, dat maakt mijn werk een beetje dragelijk.”
“Zo, ben ik even blij dat de week al doormidden is!”
“Verdomme, het is alweer bijna maandag. Ik wil niet werken!”
“Bah, het werk is zó saai.”
“Ik tel de uren af! Nog twee komma vijf uur en drie minuten en dan mag ik naar HUIS.”

Echt gehoord en vrees’lijk te betreuren. Zoveel mensen gaan met hangende schouders naar hun werk. Kom op man, ik wil nu wel eens iets anders zien dan kloteshitlaathetstoppen@work op Neerlandsch Grootste Sociale Netwerrek.

Niet helemaal goed

‘Ocharm,’ kreun ik tegen mijzelf, want ik ben nog steeds onder de indruk van niets minder dan carnaval in Limburg. Ik ben dus nog steeds onder de indruk van niets minder dan Limburg, want een term als ocharm heeft helemaal niets met carnaval te maken- behalve als je de dag daarna in de spiegel kijkt en concludeert dat je over een uur weer met je vaste carnavalsclub hebt afgesproken.

Ons huis was toe aan een metamorfose.
Nog steeds ben ik trouwens blij dat het ons huis is, omdat er daadwerkelijk dingen van ons samen staan. Wij er samen in wakker worden, om vervolgens niet samen in de badkamer onze tanden te gaan poetsen, maar erachter komen dat wij ons verslapen hebben. Eén van de twee blijft altijd liggen- in negen van de tien gevallen ben ik dat. Dat typeert ons, en ik vind dat uiterst vermakelijk. Niks appeltaart op zondagochtend. Wij liggen in ons nest en zingen liederen voor elkaar. Hit me baby one more time, van dat kaliber. Weest gerust, hij stond een ei te bakken.

Maar vanochtend was ik er dus uit. Want ik moest aan de slag en daarom was een mentale voorbereiding welkom: ik ga over een kwartier een muur verven. Daarvoor heb ik de volgende uitdrukkingen al gedaan:
‘Oude kleren? Oude kleren? Ik héb geen oude kleren!’ en: ‘Ik ben vergeten een mengstokje te kopen,’ en: ‘O, is de afplaktape op? Nou, ja, ach.’
En terwijl ik driftig op zoek ga naar een verfklare wielrennersbroek uit 1990 en een tak, hoor ik vanuit de keuken alom bekende zang.
Iets met ‘that something wasn’t riiiight here.’

Eigenlijk is het een zondag als alle anderen.

Ola li doi doi doi

Zo klonk ik gisteravond. Ik moest wel, anders hadden ze mij en vriend eruit gepikt.
Ik bedoel een kip en een konijn, dansend met een bier in de poot en vleugel.

Wij kregen blikken.
‘Nu zeggen ze wâhblief tegen elkaar,’ informeerde ik vriend, die vrolijk door aan het ‘pokken’ was op één of ander lied en niet door had dat zijn zojuist bestelde vaasje gist richting vloer ging.
Een man stak twee duimen op, wij werden gefotografeerd door een kerel in traditioneel kostuum en de jongens achter de bar, die eruit zagen alsof dit hun honderdste carnaval in twintig jaar tijd was, draaiden uit voorzorg de tap dicht.
‘Versta jij wat ze zingen?’ vroeg ik vriend, maar die hoorde al niets meer.
‘Howaliadaidaidai,’ zong hij, gevolgd door ‘póóókpókkepókpókpók.’

Ik zette mijn oren recht, checkte of de pluim op mijn kont nog goed zat en nuttigde een biertje. Of vijf. Zes, wellicht, terwijl ik als een lamme haas jodelde op een bundesbeat.

‘Nu wil ik sjoenkelen,’ zei ik, want ik doe graag alsof ik er woon als ik in een andere stad ben.
‘Pók?’ sprak mijn liefde.
Hij hield het gepok lang vol, maar het is het leukst als je daarvoor al enige alcoholische consumpties hebt genuttigd.
‘Precies,’ antwoordde ik, want ik begon het doodnormaal te vinden.
Wij haakten dus in en deden een bourgondische dans. Een beetje Grieks, wellicht, maar dat deerde niet.

‘Willen jullie op de foto?’ vroeg de man in het kostuum.
‘Whjáá,’ kirde ik, ‘Póh- eh já,’ antwoordde ook mijn carnavalspartner.
Lachen, klik, fantastisch.
‘En?’ vroeg ik.
‘Mwaoh,’ luidde het eveneens bourgondische antwoord van de man.

Carnaval staat inderdaad gelijk aan prachtplaatjes.

Terug (2)

Behalve dat ik terug ben en zeer geniet van mijn eigen dekbed, kan ik vertellen dat ik het liefst weer met de noorderzon vertrek.

Dit is niet aan mij besteed, dit, hier.
Ik bedoel. Dagelijks probeer ik mensen aan een baan te helpen. Ik tik mijn vingers blauw, laat mijn creatieve brein op volle toeren draaien en dacht dat, wat ik deed, leuk was. Echt iets voor mij. Nou, nou. Super. Ja. Lekker vakgericht bezig zijn.
Daaruit bestaat mijn leven nu, nogal.
Naast kroegbezoeken met mijn liefste vrienden, of uitgebreide webcambijkletssessies, of goede gesprekken met vriend.

Maar lieve mensen, wat hedde ik mezelf nu weer voor de gek gehouden?
Tel even mee en concludeer.
Ik heb een diploma. Toen wilde ik nog een diploma want pas dan kan je eigenlijk zeggen dat je afgestudeerd bent. Vervolgens gaat dat feest even niet door want dat was je koos is minder leuk dan je dacht en bovendien kon het toch al niet, want je voldeed uiteindelijk toch niet aan die ene, belangrijke eis, namelijk dat je door middel van een heel handig computerprogramma heel makkelijk onderzoeksresultaten kan bekijken. En daar hoef je niet goed voor te zijn in wiskunde, echt niet. Nee hoor, heus niet. Ook niet een beetje. Je moet er alleen wél een zes voor staan bij sommige universiteiten.
Dat is hetzelfde voor mij als aan yoga doen in een sauna terwijl ik heftig probeer mijn haar te kammen met een stofzuiger die op batterijen functioneert maar waarvan ik de oplader dus thuis heb laten liggen, om maar een goed voorbeeld te noemen.

Goed, dan kies je een nieuwe opleiding. Dat gaat goed, dat gaat goed, dat gaat helemaal waku waku tótdat je denkt: hé, maar wat zei iemand nou laatst over dat masters zulke rampen zijn? Ik ken iemand die dat jaar meer gehuild heeft dan toen haar tandarts haar meldde dat haar gebit toch echt meer weghad van dat van een dood paard of een gefossiliseerde franjeaap dan een normaal mensensmoelwerk. Daar ben je dan mooi klaar mee, dacht ik, maar zij beweerde dat het niet halen van die zeveneneenhalve ects toch vele malen beroerder was.

Afijn, aangezien ik wel voor hetere vuren heb gestaan, ik bedoel, je poot breken is ook weer zoiets, ga ik natuurlijk absoluut een leuke master doen. Weet al welke. Weet ook al wat ik ermee wil.
Gaat dus allemaal peri peri, je verheugt je daar ontzettend op, denkt aan de studiefinanciering die vanaf september weer op je rekening tapdanst en dan krijg je het: de IB-groep.
Dat ze nog leven daar, in het Hoge Noorden, en dat ze ook wel degelijk van jou houden, als je maar wel staat ingeschreven. Dus ik bel, zeg: ‘Herr Gott, dit is dus absoluut eenrichtingsverkeer want ik heb mij wel degelijk uitgeschreven. Het is beter als het uit is.’ Antwoorden zij met ‘oh, oké.’
Ja, dat doet wel zeer.

Zo gaat dus allemaal tegenwoordig. Ik mail mijn supahveis0r met de mededeling dat ik iets per ongeluk verkeerd heb gedaan en hij zegt: ‘Oké.’ Dan broed ik een halfuur op een fantastisch idee om iemand aan een net zo fantastische baan te helpen en hij zegt: ‘Niet oké.’ En zelfs toen ik laatst zei dat ik voorlopig mijn biezen zou pakken, of eigenlijk nimmer meer wilde wederkeren en de rest van mijn zonnige humeur wilde uiten in bourgondisch Frankrijk, hoorde ik een engelenkoor: ‘Okéhéééé.’

Terwijl mijn halve vriendenkring hard op weg is naar heuze carrière, de andere helft verkeert in het buitenland om een hippe fotocursus te volgen (voor, dus, een creatieve carrière),  of in een kantoor tegenover Central Park te bivakkeren (voor, dus, een heel briljante carrière), daar zit ik met twee bolsiuskaarsen en een slappe koffie aan een houten eettafel mijn stinkende best te doen voor de maatschappij.
Wellicht wordt het tijd mijn roze bril eens te verkopen.

Terug

Ik fotografeerde een eekhoorn in Central Park, we scoorden een maaltijd op 5th avenue, namen de boot naar de geschiedenis van immigranten en het levensgrote vrijheidsbeeld, hadden een tafel voor vier in een restaurant in de Chinese Stad, sloegen de plank tot het eten van pizza in Klein Italië mis, maar hadden dat de avond daarvoor bij voorbaat al ingehaald door een levensgrote schotel spareribs bij Jimmy Brother’s in de westside, alwaar wij eveneens een gratis vissenkom, ja echt, wodka verorberden omdat ik in een typisch Amerikaanse vechtpartij terecht was gekomen. Buiten mijn wil om, uiteraard, ik zat op een kruk en werd er hevig afgestoten omdat twee heren vochten om de rekening.

‘Dat is dan dertig dollar,’ had de bediende gezegd.
Een ‘go f*** yourself’ als antwoord was de reden om de hele tent af te breken -mijn kruk aan de hoge tafel bij het raam inclusief. Jammer dat ik er nog op zat.

Dit echter, mocht de pret niet drukken. Ik kiekte Times Square, wij bezochten een typische film in een typische bioscoop, namelijk groot, veel, veel popcorn in grote dozen, verkrijgbaar met een levensgrote cola en huppelden het Meetpacking District door op zoek naar een restaurant met … allure. Die wij vonden op de hoek van een straat ver van het metrostation, waardoor wij nog een lange tijd naar de ondergronds moesten zwalken. Dit versterkte onze band voor de achtenzevenstigste maal die vakantie. Evenals de trip naar musea met grote kunstwerken, want bij alles riepen wij ‘oh!’ en ‘móói’ maar vooral, tussendoor of na weer een indrukwekkend bezoek, tegelijkertijd: ‘Koffie bij Starbucks?’

Op reis

Dus tot over een dikke week!

(Daarna zal ik met een verhaal over gepofte kastanjes komen, ik heb nu eenmaal dat idee.)

Encyclopedie

Een medische encyclopedie lijkt mij een waarachtig goed idee voor deze site.

Blaasontsteking, jeuk na het drinken van rode wijn en verkrampte darmen.
Doe de Google en je komt hier terecht.

Ik adviseer: cranberrysap, witte wijn en een goed laxeermiddel.

Dit is een heftig stuk

Een van mijn liefste vriendinnen vertrekt over iets meer dan zesendertig uur naar haar deeltijdbestaan.
Cryptisch, zeer cryptisch ben ik, maar ze komt nu eenmaal vaak in Spanje. Doe je niets aan.

Madrid.

En om ons allemaal gedag te zeggen, hield zij een feest. En kwamen er mensen die zij leuk vond, en mensen die het leuk vonden om bij haar te zijn. Er werd gedronken, vitamine B+ geslikt wegens mogelijk opkomende virussen of, in ieder geval, moeilijke magen (…), er werd gelachen, uiteraard gehuild en voornamelijk het liefst niet gedacht aan dat we haar voor een maand of vijf even niet zien.
Zie je, ik ben in de ontkenningsfase, ik noem het gewoon ‘even’.

Enfin, toen ik haar omhelsde, en weer, en nog eens, en nou ja, weer een keer, bedacht ik mij dus eigenlijk zo’n achtendertig jaar lang, hoe spannend ik het zelf zou vinden.
En vooral, hoe hard ik zou huilen.

De laatste tijd jank ik om alles, overigens. In mijn dromen mis is ik deadline na deadline, word ik gehaat door mijn werkgeverT en kan ik volgens mijn nieuwe supahvaisoh beter brood met kroket gaan uitdelen.
Noem je dit stress?

In ieder geval, ellende.
Dus wij deden alsof er niets aan de ringvinger was en dat wij daar ook vooral mee zouden wachten tot zij echt het Spaanse tegemoet vloog.

Wel, lieve schat, dat is al bijna.
En dat wordt leuk. Lachen, gieren, sangria.
Neem neuten hè.
Ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

Dan vertoef ik over minder dan een week in de grote appel.
En doe ik even alsof ik ook een tijdje weg ben.
Het is er tenslotte ver genoeg voor.

Dingen die moeten (2)

Er zat een gat in mijn voet.
‘Kolere,’ mompelde ik toen ik mijn sok er verwoed vanaf probeerde te trekken.
Mijn sok gaf niet mee, mijn voet des te meer.

‘Goed,’ verzuchtte ik, ‘nu heb ik een excuus nodig. Nu moet ik naar de dokter om te zeggen dat iemand met zijn hak, waar straatvuil aan zit, op mijn blote wreef heeft gestaan en zo een levensgrote opening heeft veroorzaakt. Voor het effect zeg ik dat het een diameter van 1,3 millimeter heeft en dat dat, op mijn voet, nogal behoorlijk is.’
Tetanus tot de macht zeven.

Uiteraard was dit een grap, keek ik nog een paar keer naar het steeds mooier wordende korstje en ging ik vrolijk aan de slag met de dingen van alledag. Werken, wassen, af en toe een wandeling, een beetje schrijven, aan een flesje bier lurken, mij ergeren aan Carlo en Irene of Gordon een denkbeeldige aai over het gebleekte hoofd geven. Gordon is sinds Over de Vloer één van mijn favoriete stakkers, immers.

Dit alles werd echter bruut verstoord door een zwevende rib.
‘Wat nu weer,’ bracht ik de boodschap morrend aan het stukje bot. Niet veel later kon ik hem, vanwege zijn beweeglijkheid, zowat de hand schudden. Omdat je daar weinig aan hebt in het leven, besloot ik er maar naar te laten kijken.

‘Hm,’ zei de dokter.
‘Ja,’ zei ik, een beetje semi-lachend, de lippen losjes op elkaar. ‘Ik weet het ook niet,’ betekent dat, en als ik iets niet weet, dan kijk ik op zo’n manier dat iemand snapt dat ik óók niet snap hoe het komt.
‘Als jij nu eerst kijkt of je ‘m voelt en de plek aanwijst, dan kan ik zien waar je het voelt.’

Ik drukte met mijn vinger op mijn onderste rib.
De dokter deed hetzelfde.
De rib gaf moeiteloos mee.

‘Aháá, ik voel het!’ jubelde zij.
‘Jáá’!’ juichte ik mee, want ik werd geloofd.
‘En?’ vroeg ik dus.
‘Wel,’ sprak zij, ‘het is je zwevende rib. En die voel jij gewoon heel goed.’

Het bleef even stil.
Ik moest toch nog iets nuttigs kunnen vragen, want ik was heel vroeg uit mijn bed voor dit geruststellende bezoek.
Mijn moeder zegt altijd: doe soms maar eens alsof je in een film speelt. Ik koos voor tv en bepaalde mijn invalshoek.
Nu we er toch zijn.
En terwijl zij mijn dossier bijwerkte, besloot ik tot het stellen van een prangende vraag:

‘Tot hoe lang blijft een tetanusprik eigenlijk geldig?’

Dingen die moeten

‘Hoe is het?’ vroeg hij. Ik wilde antwoorden dat ik nogal last had van zenuwen. Dat dat gewoon onoverkomelijk is als ik zijn naambordje op de deur zie.
Het ruikt er naar fluor. Ook dat is onoverkomelijk als je een tandarts bezoekt.

Afijn, ik antwoordde met een ‘goed’ en begon te ratelen. Dat is typisch, want dat doe ik altijd, en ik doe het nog meer als ik een beetje wiebelig ben.

‘Ik moet een foto van je maken,’ sprak hij na nog geen drie minuten, en ik glimlachte breed.
‘Eh,’ nee, ‘een andere foto. Van je gebit.’
Ik glimlachte nogmaals breed.
‘Net iets anders nog, eigenlijk,’ probeerde hij voorzichtig, en duwde een zwart plaatje tussen mijn kiezen.

‘Hm.’ Gemompel.
‘Ik zie een gaatje,’ concludeerde hij na een blik op mijn gebitsfoto.
‘Néé,’ antwoordde ik, een beetje à la Emma Bovary.
‘Já, toch wel.’
‘Boren,’ adviseerde ik ‘m wijs, en ging er alvast bij liggen.
‘Niet zo snel, ik bedoel, ik moet nog zeggen dat je het voor de rest netjes doet en je gebit onderhoudt.’

Mijn tandarts zit in een aai-over-de-bol-praktijk. Was in geen tijden geweest en hij zei: ‘Fijn dat je belt, ik ben blij dat je komt, is het ver reizen voor je? Moet ik de afspraak extra laat zetten? Red je dat dan zeker met de trein? Ookalzouikergeenrekeningmeemoetenhoudenomdatjeweigertmetjeluiegateentreinte
pakkenomjegebitvoordekomendedriejaartelatekomencontroleren?’

Ik vond dat toen wel zó aardig dat ik zowaar zin had om plaats te nemen in zijn indigokleurige stoel.

Nu lag ik er weer. En zag hoe een pinnetje zich meester maakte van mijn kies. En dan niet gering.
Het ge-’mieeuw’ bereikte mijn oor.
Een tijdlang hapte ik naar adem.
‘Tister?’ vroeg-ie
‘Heijn,’ luidde mijn dronkenmanstaal.
‘Hè?’ Het spiegeltje met daarop een lichte damp staakte zijn pogingen tot reflectie. Het geluid dempte.
‘PIJN,’ verduidelijkte ik nog maar eens. Als een soort dolle eekhoorn, want ik snakte naar vrijheid en dit was een woud vol … onzekerheden.

‘Ja,’ zei mijn tandarts, ‘maar je doet het verder hartstikke netjes en dit hoeft maar even.’
Ik voelde mij geaaid.
Knikte en opende mijn mond weer.
‘Juist, heel goed.’
Knipperde met mijn ogen, hield de onderkant van mijn trui onopvallend vast.

‘Zo, mooi weer,’ sprak de beste man met het groene mondkapje.
En dat vond ik wéér aardig. En wel zo, dat ik direct een afspraak maakte voor over zes maanden.